maart 2015

Auto op biobrandstof

De EU wil in 2020 een aandeel van 10% hernieuwbare energie in de transportsector hebben (dit wordt mogelijk 7%, zie onder Indirect Landgebruik). Om dit te bereiken wordt het gebruik van onder andere biobrandstoffen gestimuleerd. In Nederland kennen oliemaatschappijen een bijmengverplichting voor biobrandstoffen. In 2011 bestond 4,31% van alle op Nederlandse markt gebrachte transportbrandstof (benzine- en dieselmarkt gezamenlijk) uit hernieuwbare energie. Het gemiddelde aandeel in benzine bedroeg 3,87% en in diesel was dit 4.62%. Hiermee hebben de bedrijven voldaan aan de verplichting van 4,25% in 2011. Op basis van energie-inhoud werd 40% van de verplichting ingevuld met de dubbeltellende biobrandstoffen (uit afvalstromen en residuen, zoals gebruikt frituurvet). De dubbeltelling is hier al in meegenomen. (NEA, juni 2012)


Bioethanol
Bioethanol wordt vooral verkregen door fermentatie uit suiker, maïs of tarwe. Bioethanol is in verschillende blends op de markt verkrijgbaar:
  • E5: benzine met maximaal 5% toegevoegde bioethanol. Elke benzine auto kan zonder problemen op 5% ethanol rijden. Ethanol is agressiever dan benzine en kan bij hogere blends metalen en kunststoffen aantasten. 
  • E10: benzine met maximaal 10% toegevoegde bioethanol. 90% van het wagenpark kan hier zonder aanpassingen op rijden en daarom zal E10 in de toekomst ook meer worden aangeboden. Hier kan men zien of een auto op E10 kan rijden. 
  • E85: benzine met maximaal 85% toegevoegde bioethanol. Bij een hoge blend (E20-E85 heb je een zogenaamde Flex Fuel Vehicle (FFV) nodig. Hierbij is de motor aangepast op de andere eigenschappen van de hogere blends en ook de materialen van de auto zijn op de hogere blend aangepast. 

Biodiesel
Biodiesel wordt gemaakt van koolzaad of soja, maar ook gebruikte vetten en dierlijk afval kan gebruikt worden voor de productie. Biodiesel (Fatty Acid Methyl Esther oftewel FAME) wordt net als bioethanol in kleine percentages bijgemengd. Bij percentages hoger dan 7% biodiesel moet dit worden aangegeven bij het pompstation.
  • B7: diesel met maximaal 7% toegevoegde biodiesel. Bij hogere percentages kan er schade optreden (vooral in het geval van een affabriek roetfilter) 
  • B30: diesel met maximaal 30% toegevoegde biodiesel. 
  • B100: pure biodiesel. 
Milieu
Bij bio-ethanol E10 is er geen verschil in luchtvervuilende emissies t.o.v. een Euro 5 benzine. In het geval van bio-ethanol E85 nemen de emissies iets toe, hoewel de emissie-eisen van voertuigen op E85 in de toekomst gelijk gesteld zullen worden aan Euro 6 benzine. Het milieuvoordeel in het gebruik van biobrandstoffen zit in de CO2-reductie. Deze reductie hangt af van de gebruikte grondstoffen en deels van het productieproces. Daarnaast is het percentage bijmenging bepalend.

In het geval van bio-diesel gaat de uitstoot van NOx omhoog. De emissies van fijn stof dalen wel. In welke mate dit gebeurt hangt af van de mate van bijmenging. Net als bij bio-ethanol hangt de CO2-reductie van de grondstoffen die gebruikt zijn. In het geval van het gebruik van frituurvet in de vorm van B100 kan de uitstoot van CO2 gereduceerd worden met 90%. Bij bio-diesel afkomstig van gewassen is de emissiereductie vaak beperkter (50%) en kan het zelfs voorkomen dat er juist meer emissies worden uitgestoten afhankelijk van het landgebruik. Vanwege de grote schommeling in de reducerende werking van bio-brandstoffen zijn er op Europees niveau duurzaamheidscriteria vastgesteld (bron: Factsheets Brandstoffen Wegverkeer)

Indirect Landgebruik (ILUC) 
Een groot gedeelte van de biobrandstoffen, die momenteel in Nederland op de markt gebracht worden, is geproduceerd uit voedselgewassen. Het verbouwen van deze gewassen kan direct tot milieugevolgen leiden, maar kan ook indirect schade aanrichten. Wanneer op een akker, waar eerst voedselgewassen werden verbouwd, opeens biobrandstoffen verbouwd worden zullen de voedselgewassen ergens anders verbouwd moet worden. Dit noemen ze ook wel indirect landgebruik, wat kan leiden tot bijvoorbeeld ontbossing van regenwoud . De extra broeikasgasemissies van indirect landgebruik kunnen er in sommige gevallen zelfs voor zorgen dat biobrandstoffen meer broeikasgasemissies uitstoten dan fossiele brandstoffen.


In december 2014 bereikte de Europese Transport, Telecommunicatie en Energie Raad overeenstemming over wijzigingen in de RED (Renewable Energy Directive ) en FQD (Fuel Quality Directive) waarin voorstellen staan om de extra broeikasgasemissies van indirect landgebruik (ILUC) te beperken. De belangrijkste aanpassingen zijn:
  • Een limiet van 7% op het aandeel biobrandstoffen geproduceerd uit voedselgewassen. Op dit moment is het gemiddelde gebruik 5 %, de doelstelling voor 2020 is 10%. Dit betekent dat de rest van de doelstelling ingevuld zal moeten worden met biobrandstoffen uit afvalstromen en residuen of met meer geavanceerde biobrandstoffen. 
  • Lidstaten zijn verplicht een subtarget van 0,5 procentpunten te behalen van geavanceerde biobrandstoffen binnen de 10% doelstelling voor transport. 
  • Een nieuwe lijst met biobrandstoffen die dubbel geteld mogen worden in het halen van de doelstelling. 
  • Het stimuleren van de productie van elektriciteit uit hernieuwbare bronnen door de introductie van een vermenigvuldigingsfactor 5 voor elektriciteit uit hernieuwbare bronnen in elektrische voertuigen (wegtransport) en een factor 2.5 voor geëlektrificeerd spoortransport. 
  • Daarnaast is een voorstel opgenomen over de rapportage van het effect van ILUC op de broeikasgasemissiereducties. 
In Februari wordt dit voorstel behandeld in het Europese parlement en mogelijk aangepast.
(Zie ook: European biofuels technology platform)

1 opmerking:

  1. Zeer interessant om te lezen en vooral het stukje over diesel omdat mijn auto daar op rijdt.

    BeantwoordenVerwijderen